Kerninstrumenten

De Omgevingswet geeft zes kerninstrumenten voor het beheren en benutten van de leefomgeving: de omgevingsvisie, het programma, decentrale regelgeving, algemene rijksregels voor activiteiten, de omgevingsvergunning en het projectbesluit.

De instrumenten hangen onderling nauw samen. Zo kan een gemeente samen met haar inwoners en bedrijven in een omgevingsvisie de ambities voor de toekomst vastleggen. Krijgt een nieuwe wijk bijvoorbeeld een hoogstedelijk karakter of wordt het juist een gezonde wijk voor jonge gezinnen? In het omgevingsplan krijgt deze visie handen en voeten. Waar komen woningen? Waar is ruimte voor werken of horeca? Welke regels gelden voor onderwerpen als geluid en licht?

Omgevingsvisie

Een samenhangend, strategisch plan over de leefomgeving. Dat plan richt zich op de fysieke leefomgeving als geheel, zodat het rekening houdt met alle ontwikkelingen die voor het gebied van belang zijn.

De Omgevingswet schrijft voor dat het Rijk, de provincies en gemeenten elk één omgevingsvisie vaststellen. De omgevingsvisie komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies, sommige delen van de natuurvisie, verkeers- en vervoersplannen, strategische gedeelten van nationale en provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen.

Programma

Een programma bevat concrete maatregelen voor bescherming, beheer, gebruik en ontwikkeling van de leefomgeving. Met die maatregelen moeten omgevingswaarden of andere doelen voor de leefomgeving worden bereikt.

Het programma kan gericht zijn op een bepaalde sector of een gebied. Rijk en provincie kunnen ook andere bestuursorganen bij een programma betrekken. Een bijzondere vorm betreft de programmatische aanpak.

Decentrale regelgeving

Uitgangspunt van de Omgevingswet is dat decentrale overheden al hun regels over de leefomgeving bijeenbrengen in één gebiedsdekkende regeling. Dat zorgt ervoor dat de regelgeving inzichtelijk en samenhangend is. Bovendien maakt het de naleving gemakkelijker.

Voor de gemeenten is dit het omgevingsplan, voor de waterschappen de waterschapsverordening en voor de provincies de omgevingsverordening. In het omgevingsplan en de verordeningen staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld gericht op activiteiten van burgers en bedrijven in de omgeving. Maar er kunnen ook omgevingswaarden in worden opgenomen, of kaders om vergunningen aan te toetsen.

Algemene rijksregels voor activiteiten

De meeste activiteiten in de leefomgeving zijn initiatieven van burgers en bedrijven. Op sommige (meer algemeen geldende) gebieden kan het nuttig zijn om nationale regels te stellen voor de bescherming van de leefomgeving. Daar werkt het Rijk, als dat kan, met algemeen geldende regels. Dat voorkomt dat burgers en bedrijven steeds toestemming moeten vragen aan de overheid.

Nadeel van algemene regels is dat ze soms niet goed passen bij specifieke situaties. Daarom bevat de wet een aantal instrumenten die de flexibiliteit van algemene regels kunnen vergroten.

Omgevingsvergunning

Veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leefomgeving. Dat geldt bijvoorbeeld als een boer een sloot wil dempen of een ondernemer zijn of haar bedrijf wil uitbreiden. De omgevingsvergunning toetst vooraf of dat mag.

De toetsing is zo eenvoudig mogelijk en houdt, als dat nodig is, rekening met algemeen geldende regels. Zo wordt voorkomen dat regels elkaar tegenspreken of in de weg zitten. Door de vergunningverlening zo simpel mogelijk te houden, duren procedures ook niet onnodig lang. Initiatiefnemers kunnen via één aanvraag bij één loket snel duidelijkheid krijgen voor alle activiteiten die zij willen uitvoeren.

Projectbesluit

Het projectbesluit biedt een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten die voortvloeien uit de verantwoordelijkheid van Rijk of provincies. Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied. Voor waterschappen geldt een variant van deze procedure.

Doel van het projectbesluit is om dit soort procedures sneller en beter te laten verlopen dan in het verleden. Als een project bijvoorbeeld in strijd is met een omgevingsplan, bestaat de mogelijkheid om van het omgevingsplan af te wijken. In voorkomende gevallen kan het projectbesluit ook in de plaats komen van de omgevingsvergunning. Net als bij het vaststellen van een omgevingsvisie, omgevingsplan of programma moeten overheden bij een projectbesluit aangeven hoe zij participatie hebben ingericht.

Ondersteunende instrumenten

Naast deze kerninstrumenten bevat de wet vanzelfsprekend ondersteunende instrumenten die nodig zijn om besluiten te nemen en uit te voeren. Bijvoorbeeld gedoogplichten of regelingen voor toezicht en handhaving. Ook deze ondersteunende instrumenten zullen de komende jaren een ingrijpende modernisering en digitalisering ondergaan.