Aanvullingswet bodem

Met het voorstel voor de Aanvullingswet bodem wordt de aanpak van bodemverontreinigingen gekoppeld aan een gebiedsaanpak en het reguleren van activiteiten.

De kern van het huidige bodembeleid is het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen. Dit blijft bij de overgang naar de Omgevingswet overeind.

Aanvullingswet bodem

De Aanvullingswet bodem kent drie pijlers: preventie, integrale afweging en beheer historische verontreinigingen.

  • Bij preventie gaat het om het voorkómen van nieuwe verontreiniging of aantasting. Dit gebeurt via de zorgplicht en (algemene) regels voor burgers en bedrijven.
  • Bij integrale afweging gaat het om het integraal meenemen van bodemkwaliteit bij besluitvorming over de fysieke leefomgeving in omgevingsvisies en omgevingsplannen.
  • Bij beheer van historische verontreinigingen gaat het om bescherming van de gezondheid en milieu door verstandig om te gaan met resterende bodemverontreinigingen met behulp van algemene regels.

De normen voor bodemverontreiniging worden bepaald door het huidige of beoogde gebruik van de bodem.

Dit normenstelsel biedt bescherming aan de gezondheid van de mens en het milieu. In het Aanvullingsbesluit bodem wordt het normenstelsel verder uitgewerkt, met veel beleidsvrijheid voor gemeenten.

Voor de regulering van activiteiten zijn de instrumenten van de Omgevingswet voldoende. Zo kan een gemeente in het omgevingsplan met het oog op de bodem regels stellen aan activiteiten. Ze kan bijvoorbeeld met locatiespecifieke regels aangeven waar maatregelen aan de bodem noodzakelijk zijn voordat een activiteit uitgevoerd mag worden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan locaties met historische bodemverontreinigingen.

Belangrijke instrumenten zijn de zorgplicht, rijksregels en de vangnetvoorziening voor het ongewoon voorval.

  • Voor bodem wordt de bestaande zorgplicht van de Wet bodembescherming ingepast in het nieuwe stelsel van de Omgevingswet. In het omgaan met historische verontreinigingen staat het geval niet meer centraal, maar wordt naar de kwaliteit van de bodem gekeken in relatie tot de activiteit.
  • Voor een aantal specifieke activiteiten worden rijksregels gesteld. Het gaat om het bouwen van een bouwwerk met een verblijfsfunctie, grondwerk en het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. Ook worden rijksregels gesteld voor wateractiviteiten, zoals wateronttrekking. Voor andere activiteiten kunnen de gemeenten regels opnemen in het omgevingsplan.
  • Een bijzondere situatie is de zogenoemde ‘toevalsvondst op of in de bodem met onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid’. In het wetsvoorstel is hiervoor een vangnetvoorziening opgenomen. Deze voorziening bepaalt dat bij historische verontreinigingen de eigenaar de onaanvaardbare risico’s wegneemt. Als de eigenaar verzuimt om maatregelen te nemen, kan de gemeente ingrijpen en de eventuele kosten verhalen.

Wat is nieuw?

De koers van het bodembeleid blijft op hoofdlijnen hetzelfde. Wel zijn er enkele accentverschuivingen in de aanpak:

  • Van saneren van het geval … naar een gebiedsbenadering
  • Van saneren om milieuhygiënische redenen … naar regels stellen aan activiteiten in het omgevingsplan
  • Van een centraal gereguleerde aanpak … naar meer bestuurlijke afwegingsruimte
  • Versnellen en verbeteren van de besluitvorming over bouwactiviteiten door onder meer het verminderen van het aantal bodemonderzoeken en het zoveel mogelijk inzetten van algemene regels in plaats van beschikkingen