Omgevingsplan High Tech Campus Eindhoven

De Omgevingswet brengt veranderingen met zich mee voor de manier waarop de gezamenlijke milieuaspecten van bedrijven op de High Tech Campus Eindhoven (HTCE) worden geregeld. In een pilot onderzoeken de betrokken partijen hoe de huidige koepelbenadering straks vorm kan krijgen via het omgevingsplan.

Wie

De pilot is een samenwerking van onder meer HTCE, gemeente Eindhoven, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant en het ministerie van BZK.

Wanneer

De pilot ging van start in september 2016.

Waar

Het HTCE-terrein was oorspronkelijk de thuisbasis van het natuurkundig laboratorium van Philips. Tegenwoordig is het een broeinest van innovatie, met in totaal zo’n 135 bedrijven die actief zijn op het gebied van High Tech-R&D. Op het terrein zijn nauwelijks fysieke grenzen tussen die bedrijven te trekken. In een willekeurig lab kunnen wel zes of zeven verschillende bedrijven aan het werk zijn. Die mengeling betekende al vanaf de start van HTCE dat de manier van omgaan met milieuaspecten op een bijzondere manier geregeld moest worden.

Situatie nu

Als oplossing is er indertijd voor gekozen het gehele gebied als één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer op te vatten. Dat bleek een behoorlijk succes. Alle bedrijven die op de Campus actief zijn, vallen onder één koepelvergunning. Zij hoeven daardoor niet zelf een vergunningaanvraag op te stellen.

De Coöperatieve Vereniging voor Milieu (CVM) is de milieutechnisch beheerder en staat voor alle zaken op het gebied van milieu aan de lat. Iedereen op het terrein moet daar lid van worden en binnen deze vereniging vindt de gezamenlijke besluitvorming over milieuaspecten plaats.

Situatie onder de Omgevingswet

De komst van de Omgevingswet brengt voor HTCE ingrijpende veranderingen met zich mee op het gebied van de vergunningverlening en de gelding van algemene regels. Met het ministerie is veelvuldig gesproken over deze gevolgen, met name doordat het begrip inrichting verdwijnt. Daarvoor in de plaats wordt gewerkt met het begrip milieubelastende activiteit, waarvoor in beginsel algemene regels gelden. Alleen voor een beperkt aantal activiteiten, met name Seveso-inrichtingen en RIE-installaties, geldt een vergunningplicht. Bovendien worden veel locatiegebonden milieuaspecten straks geregeld via het omgevingsplan in plaats van een vergunning of algemene rijksregels, zoals geluid, geur en trillingen.

Opgaven

HTCE en de gemeente Eindhoven hebben behoefte aan zekerheid dat de voordelen van het werken met een koepelvergunning ook onder de Omgevingswet blijven bestaan. In de pilot worden daarom de volgende opgaven verkend:

  • Welke rol kan CVM blijven vervullen?

Elk bedrijf op de Campus dat volgens de rijksregels meldingsplichtig is, zal die activiteiten afzonderlijk moeten melden. Nu is de situatie nog zo dat CVM voor alle activiteiten op HTCE vergunning vraagt dan wel melding doet. Hierdoor is bijvoorbeeld voortdurend helder welke gevaarlijke stoffen op het terrein aanwezig zijn en wordt bewaakt dat vergunde maxima niet worden overschreden. Dat wordt straks anders: bedrijven mogen bij wijze van spreken allemaal een bepaalde hoeveelheid van die stoffen in bezit hebben zonder een vergunning te hoeven aanvragen. Dat betekent dat er meer van een giftig gas op het terrein als geheel aanwezig kan zijn dan gewenst.

In het omgevingsplan kan de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stof worden begrensd. De vraag is of en zo ja hoe CVM daarbij een rol kan blijven vervullen. Verder wordt tijdens de pilot onderzocht hoe om kan worden gegaan met het normadressaat.

  • Hoe kan de milieuruimte worden verdeeld?

Ook is de vraag hoe met het verdwijnen van het begrip ‘inrichting’ de beschikbare milieuruimte op een goede manier kan worden verdeeld. In de pilot onderzoeken de partijen de mogelijkheden om het gemeentelijke omgevingsplan te gebruiken voor de regulering van milieuaspecten op de hele campus, zonder inzet van het begrip inrichting. In een omgevingsplan kan de gemeente bijvoorbeeld regelen dat op een terrein slechts een bepaalde hoeveelheid van een stof aanwezig mag zijn.

  • Hoe werken toezicht en handhaving in de nieuwe situatie?

Ook toezicht en handhaving zijn aandachtspunten. Stel dat er een stof in het riool zit, dat er niet thuishoort. Wie kan daarop worden aangesproken door de overheid? Momenteel is dat relatief eenvoudig vanwege de centrale rol van CVM als vergunninghouder. Als deze rol wegvalt zal de overheid op zoek moeten naar het overtredende bedrijf. Dit zal geen eenvoudige opgave zijn want in een lab is – zoals gezegd – een groot aantal verschillende bedrijven aan het werk.