Weblogs

Ken uw kerninstrumenten!

Naar een actieve aanpak van opgaven in de leefomgeving
 

De Omgevingswet staat voor een fundamenteel andere manier van werken. Van behoud en bescherming naar een actieve aanpak van voortdurend werken aan een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Gelukkig levert de wet daar ook een bijpassend instrumentarium bij. Weet u al wat de zes kerninstrumenten zijn en hoe die in samenhang functioneren? Dat inzicht is onmisbaar om met de wet aan de slag te kunnen.

Onder de Omgevingswet leggen overheden hun integrale, strategische langetermijnvisie vast in een omgevingsvisie. Die is straks verplicht voor Rijk, provincies en gemeenten. Daarbij gaat het zowel over het benutten als het beschermen van de leefomgeving en de samenhang daartussen. Het Rijk heeft onlangs de startnota met strategische opgaven voor de Nationale Omgevingsvisie uitgebracht. Ook enkele provincies en gemeenten zijn al aan de slag met een omgevingsvisie. Terzijde: als u daar benieuwd naar bent, kijk dan eens bij de Pilots Omgevingsvisie van het programma Aan de slag met de Omgevingswet.

De doelen van een omgevingsvisie kunnen onder meer concreet worden in programma’s. Gemeenten, waterschappen, provincies en Rijk werken met programma’s het overheidsbeleid voor onderdelen van de leefomgeving uit of voor bepaalde gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het huidige Nationaal Actieplan Geluid. In programma’s staan concrete maatregelen die nu nog te vinden zijn in de uitvoeringsparagrafen van strategische plannen en structuurvisies.

Algemene regels voor activiteiten

Een omgevingsvisie is niet juridisch bindend voor burgers en bedrijven. Regels die burgers en bedrijven moeten naleven bij activiteiten worden waar mogelijk decentraal gesteld. Dat past bij het uitgangspunt ‘decentraal tenzij’ van de Omgevingswet. Vooral waar de locatie bepaalt welke regel nodig is, kunnen de regels het best door de gemeente of het waterschap worden gesteld. Ze kunnen dan toegespitst zijn op de locatie of situatie en zijn daarmee ook duidelijker. Waar nodig kunnen het Rijk en de provincies via zogenoemde instructieregels nog sturen op de decentrale regels. Dit gebeurt door het Rijk in ieder geval voor geur, geluid en externe veiligheid.

Een gemeente legt haar decentrale regels vast in het omgevingsplan. Dit is een integraal plan voor de hele gemeente waarin de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving staan en dat in ieder geval de ruimtelijke toedeling van functies bevat. Voor de provincie is de omgevingsverordening de plek waar zij regels voor de leefomgeving stelt. Bijvoorbeeld ter bescherming van een grondwaterbeschermingsgebied. Waterschappen kennen al een verordening voor de uitvoering van waterbeheertaken: de keur. Daarin staan geboden en verboden voor onderhoudsplichtigen en uitvoerders van activiteiten in watersystemen. Denk aan het gebruikmaken van een waterstaatswerk, het lozen van water op het oppervlaktewater of het onttrekken van oppervlaktewater of grondwater.

Soms is het doelmatiger en doeltreffender om landelijk algemene regels te stellen over activiteiten. Die algemene rijksregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) of in het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Het gaat bijvoorbeeld om regels voor bescherming van rijkswegen, beste beschikbare technieken voor bescherming van het milieu en technische eisen aan bouwwerken.

De decentrale overheden hebben binnen deze algemene rijksregels de mogelijkheid voor gebiedsgericht of individueel maatwerk. Aanscherping als een kwetsbare omgeving daarom vraagt, zoals bij een lozing op een kwetsbare beek. Versoepeling als een regel te streng uitpakt, zoals bij een vetafscheider bij een bedrijf waar het afvalwater nauwelijks verschilt van een huishouden. Ook kan maatwerk wenselijk zijn vanwege de specifieke activiteit, bijvoorbeeld om een innovatief proces mogelijk te maken. Gebiedsgericht maatwerk landt als ‘maatwerkregels’ in het omgevingsplan, de omgevingsverordening of de waterschapsverordening. Individueel maatwerk bestaat uit een beschikking gericht tot één initiatiefnemer. Dit heet een ‘maatwerkvoorschrift’.

Omgevingsvergunning

Een initiatiefnemer die een activiteit wil ontplooien, ziet in het omgevingsplan welke functies mogelijk zijn. Samen met andere regels in een omgevingsplan, de omgevingsverordening, de waterschapsverordeningen en algemene rijksregels worden de randvoorwaarden van initiatieven bepaald. De bal ligt dan bij de initiatiefnemer. Als er geen vergunning nodig is, kan de initiatiefnemer van start binnen die randvoorwaarden. Dit is het uitgangspunt van de wet en zal voor het grootste deel van de initiatieven van toepassing zijn.

In sommige gevallen geldt een vergunningplicht, bijvoorbeeld wanneer vooraf beoordeeld moet worden of een activiteit wel toegelaten kan worden. In de geest van de Omgevingswet kan de initiatiefnemer hiervoor in beginsel, volstaan met één aanvraag, bij één loket en toestemming van één bevoegd gezag.

Voor ingrijpende en ingewikkelde projecten waarbij een publiek belang speelt, bestaat het projectbesluit. Bij deze procedure, waarbij de overheid de regie heeft voor de procedure, wordt veel aandacht besteed aan het vroegtijdig betrekken van de omgeving. Denk aan de versterking van een waterkering, de aanleg van een snelweg of van een windpark. Het projectbesluit kan de regels van het omgevingsplan direct wijzigen als dat nodig is voor het project.

Een samenhangend instrumentarium

Samen met instrumenten voor terugkoppeling – monitoring en evaluatie, toezicht en handhaving – ondersteunen deze instrumenten overheden bij de actieve aanpak die de Omgevingswet voorstaat. Door de instrumenten in goede onderlinge samenhang in te zetten, met aandacht voor de rolverdeling tussen bestuurslagen, kan op elke praktijksituatie worden ingespeeld.

Meer informatie